Overzicht
- Aleida Wuisman-Wilders, huisarts
- Riek Peskens, wijkverpleegster
- Iet Schreurs, gezinszorg
- Marlies Luijs-Snijders, kraamzorg
- Francien Janssen-Scheenen wijkverpleging
- Linda Mans, impact op een ander level
- Respect voor het lichaam van de vrouw
Pioniers in de gezondheidszorg (1945 – jaren ’70)

Huisarts mevrouw Aleida Wuisman-Wilders
Aleida Wilders werd geboren in Amsterdam in 1917. Ze is de enige dochter van een zakenfamilie in de fruithandel, die regelmatig verhuist. Ze studeert geneeskunde in Utrecht en komt tijdens een stage in Rotterdam haar latere man Jan Wuisman tegen.
Ze trouwen op 2 april 1942 en beginnen een dokterspraktijk in Wageningen. Daar wordt ook hun eerste zoon Piet geboren. Het huishouden moet ook gerund worden en daarom wordt er personeel aangenomen.
Bron: “Dao Raostj gét, Heemkundekring Kinrooi 1991

Tweede wereldoorlog
Langs de Rijn wordt het in 1944 steeds grimmiger en moeder en zoon evacueren naar Laren-Bussum. Haar man Jan blijft in Wageningen. Hij deed daar werk als huisarts en werd onder andere ingezet bij inentingen tegen roodvonk op lagere scholen. Hij werkte van 1944 tot aan het einde van de oorlog in Veenendaal.

Op 5 januari 1945 wordt Ot Wuisman geboren in Laren-Bussum. Jan Wuisman is korte tijd herenigd met zijn vrouw en zonen in Laren. Daarna gaat hij terug naar Veenendaal om geëvacueerden te helpen. Tijdens de weg terug naar Veenendaal moest hij regelmatig in éénmansgaten langs de weg schuilen voor de bombardementen.
Verhuizing naar Stramproy
Na de oorlog is duidelijk dat hun huis met praktijk op de Lawicksche Allee 43a in Wageningen volledig is verwoest. De gehele omgeving is één oorlogsruïne en er is als huisarts geen brood meer te verdienen in Wageningen. De keuze van het artsenechtpaar Wuisman om naar Stramproy te komen voor hun werk is mogelijk beïnvloed omdat de moeder van Jan Wuisman uit Echt kwam (Marie Meuwissen 1-9-1886 / 8-3-1984).
De familie Meuwissen had een mouterij in Echt. Een zus van Jan Wuisman woonde in Neer. Wat mogelijk ook meespeelde bij hun keuze voor Stramproy is dat Jan Wuisman tijdens de oorlog een student Moors verzorgde en dat die vertelde dat er in Stramproy en Tungelroy geen huisarts was. In juni 1945 verzoeken Burgemeester en Wethouders van Stramproy aan Gedeputeerde Staten van Limburg toestemming de heer Wuisman een vestigingspremie toe te kennen als gemeentegeneesheer: “daar deze gemeente op het gebied van de volksgezondheid geheel is aangewezen op de geneesheer, gevestigd in Weert, ongeveer anderhalf uur gaans van deze gemeente verwijderd”. Het verzoek wordt gehonoreerd.
Op de fiets, een kind achterop en een kinderwagen tussen hen in kwam het artsenechtpaar aan in Stramproy. Wegen waren kapotgeschoten, bruggen opgeblazen. Eenmaal in Stramproy meldden zij zich bij de burgemeester die voor goede opvang zorgde. Ze konden gaan inwonen bij de familie Stevens (van de melkfabriek, Amentstraat) en hun prakrijkruimte was in het klooster van de zusters van Stramproy (zie het paneel ‘Zusters van Stramproy).
Bron tekst: Doa Roastj gét, Heemkundige Kring Kinrooi 1991, met aanpassing interview Gerard Wuisman juni 2026 (Telefonisch interview door Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy)

In Brussel werd ook de machtiging verleend aan de artsen Wuisman om in België (Molenbeersel / Bocholt) huisartsenzorg te verlenen.
Mevrouw Wuisman was ook actief bij het Groene Kruis in Stramproy, Tungelroy, Ell en Grathem, wat onder andere blijkt uit het bericht uit de Maas- en Roerbode.

Tot 1 januari 1948 woonde de familie Wuisman bij de familie Stevens. Daar is ook hun derde zoon Jan geboren (7-8-1946). Daarna verhuisden ze naar de oude kapelanie in Stramproy.

Ook in Nederweert was mevrouw Wuisman actief voor het Consultatiebureau van het Groene Kruis. In 1950 werden er 882 consulten gedaan!

Naast al deze werkzaamheden als huisarts is mevrouw Wuisman degene die het personeel in huis regelt, zoals blijkt uit diverse advertenties.

Na de oorlog was er voor de huisartsen Wuisman veel werk in verband met de TBC-bestrijding. In dat kader moet het voor haar heel wrang zijn geweest dat Gerard (1951) toen hij twee maanden oud was, TBC heeft gekregen. Volgens de overlevering helaas door een dienstmeisje overgebracht. Het gevolg was dat Gerard ongeveer zes jaar in het Sanatorium Hornerheide in Horn heeft gelegen en zijn moeder hem maar éénmaal per jaar mocht bezoeken.
In 1953 verhuisde het echtpaar Wuisman met inmiddels zeven kinderen naar de Amentstraat 23 in Stramproy.
Bron tekst: telefonisch interview Gerard Wuisman 24-6-2026 door Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy

Dienstmeisjes
In het pand Amentstraat 23 werkten altijd minimaal twee dienstmeisjes, soms drie, voor dag- en nacht. Anders zou het voor mevrouw en meneer Wuisman niet mogelijk zijn geweest hun werk als huisartsen uit te voeren. De meisjes kregen in het begin een halve dag in de 14 dagen vrij voor een bezoek aan hun ouderlijk huis. Later werd dit twee halve dagen woensdag en zondagmiddag. Gerard Wuisman herinnert zich dat de meisjes dan wel één van de kinderen mee moesten nemen naar huis.
Het was in de jaren vijftig en zestig heel normaal dat meisjes niet mochten gaan studeren van de ouders. Ze stopten toch met werken als ze gingen trouwen, zodat studeren “weggegooid geld” zou zijn. Vaak hadden de gezinnen met veel kinderen ook het inkomen van de dochters nodig om rond te komen. De meisjes gingen werken als dienstmeisje in gezinnen in Stramproy maar ook verder weg, bij een boer of in een fabriek. Veel vrouwen die in de jaren vijftig tot begin jaren zeventig opgroeiden, vinden het jammer dat ze geen opleiding hebben mogen volgen. Deze jonge vrouwen hebben het echter wel mogelijk gemaakt dat mevrouw Wuisman haar werk als apotheekhoudend huisarts kon doen. Daarom als blijk van waardering voor alle dienstmeisjes in deze canon speciaal aandacht voor een aantal jonge vrouwen die bij de familie Wuisman hebben gewerkt.

Nellie Hermens-Stals (1933) heeft langere tijd bij de familie Wuisman gewerkt als dienstmeisje. Nellie is ook na haar trouwen nog bij de familie Wuisman blijven werken om te poetsen en voor het naaiwerk. Nellie vertelde aan haar dochter Carla Timmermans-Hermens dat ze op een keer, toen de heer en mevrouw Wuisman buiten de deur waren, een verkleedpartijtje deden met een ander dienstmeisje. Boven had meneer Wuisman zijn kleding voor de jacht liggen. Ze deden de kleding aan en gingen marcheren. Toen kwam meneer Wuisman veel eerder dan verwacht thuis. Hij had zijn sleutel vergeten. Of hij ze heeft gezien…….?
Ook vertelde Nellie dat meneer Wuisman streng was voor de kinderen en het personeel.
Zelfs tegen zijn eigen vrouw. Zo kreeg ze een keer geen verjaardagscadeautje van hem.
Nellie vond dat vreemd en heeft daar toen wel wat van gezegd. “U moet blij en dankbaar zijn dat u een lieve vrouw heeft die zo hard werkt”. Nellie durfde dat toen misschien te zeggen omdat ze al zo lang bij de dokter werkte.
Bron tekst: Carla Timmermans-Hermens, juli 2026, interview door Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy
Toos Spreeuwenberg-Versteegen (1938), een zus van Ger Versteegen (1933) herinnert zich dat Ger soms wel drie kinderen Wuisman meenam op haar vrije zondagmiddag. Toos deed later (1960) de kraamzorg (ze was destijds gediplomeerd kraamverpleegkundige in het ziekenhuis in Roermond) bij haar zus Ger toen Angelly werd geboren. Mevrouw Wuisman deed de bevalling van Angelly. Omdat Ger zolang bij de familie had gewerkt had Toos anders verwacht, maar mevrouw Wuisman was tijdens de bevalling best streng en zakelijk. Dat was, denkt Toos, ook wel vanuit haar rol als huisarts en hoorde bij hoe het ging in die tijd.
Bron tekst: interview Toos Spreeuwenberg-Versteegen, juli 2026 door Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy

Annie Schonkeren-Snijders werkte er van 1959 tot 1966. Later werkte ze ook voor het gezin van Ot en Roelie Wuisman. Ze moest alle voorkomende huishoudelijk werkzaamheden doen. Van ‘kerboêt’ (balkenbrij) maken tot behangen. De was doen, strijken, kinderen aankleden, kinderen wassen en naar bed brengen, eten klaarmaken, kinderen eten geven en noem maar op. Maar ook in de avonduren naar de deur gaan en pillen uitreiken. Mevrouw Wuisman en de meisjes van de apotheek hadden dan de pillen in doosjes gedaan en mensen kwamen die ophalen. Vaak ook ’s avonds. Dan moest je wel tien keer de trap af. Annie werkte bij de familie Wuisman maar had heel graag de kraamzorgopleiding gedaan, dat mocht echter niet van haar ouders. Annie verdiende 120 gulden per maand. Ze heeft één keer om opslag gevraagd, maar daar deed mevrouw Wuisman niet aan. Uiteindelijk kreeg ze precies de gevraagde opslag bij haar trouwen toch nog op een spaarbankboekje.
Gerard Wuisman (1951) vertelt op 24-6-2026 ook dat zijn ouders spaarden voor de dienstmeisjes. Als ze stopten met werken voor de familie Wuisman (vaak als ze gingen trouwen) kregen ze dat spaarbankboekje mee.
Mevrouw Wuisman stuurde het personeel aan, deed de apotheek, maar was ook huisarts en deed bevallingen. Mevrouw Wuisman heeft ook bij Annie de bevallingen gedaan. Annie weet dat een aantal mensen bij voorkeur een afspraak maakten bij mevrouw Wuisman, met name vrouwen.
Mevrouw Wuisman was heel precies maar Annie ook, dus dat heeft nooit gebotst, maar de relatie was gewoon zakelijk.
Annie herinnert zich ook dat de moeder van Jan Wuisman bij de vakantie van meneer en mevrouw Wuisman in huis kwam. Die was heel gewoon en Annie kon het er goed mee vinden. Ze “kaldje gewoen plat”. Later was Annie niet meer intern en werkte ze van zeven uur
’s morgens tot zeven uur ’s avonds. Ze kreeg op woensdagmiddag en zondagmiddag vrij.
Annie herinnert zich dat ze in het weekend erg druk waren met de was. Dan kwamen de studerende kinderen Wuisman thuis met tassen was en die moesten zondagmiddag allemaal weer gewassen en gestreken klaar staan.

Annie Hoeben (‘Annie van Sjang de Slechter’, 1939) heeft toen ze 17 jaar was één jaar voor de familie Wuisman gewerkt. Annie wilde graag in de gezinszorg werken, maar je mocht pas met 18 jaar aan de opleiding beginnen. Haar vader (‘Sjang de Slechter’) had via de heer Wuisman geregeld dat Annie tot ze de opleiding voor gezinszorg mocht starten bij de familie Wuisman kon werken.
Annie kwam uit een groot gezin. Alle meisjes die bij Wuisman werkten kwamen uit een groot gezin; zij wisten van aanpakken. Mevrouw Wuisman was precies, ze controleerde zelf of er onder het bed wel goed geveegd was. Naast minimaal twee dienstmeisjes was er ook een apothekersassistente in huis. Annie weet niet meer wat ze verdiend heeft toen ze bij de familie Wuisman werkte. Ze gaf het aan haar ouders. Ze kreeg wel van de ouders bij haar trouwen een complete uitzet (lakens, pannen, servies, bestek, enz).
Ze werkte bij de familie Wuisman van ‘s morgens vroeg totdat de kinderen in bed lagen.
Ze was niet intern. De huisarts kreeg vaak iets van de slacht. Er ging een stukje naar pastoor maar de huisarts werd ook vaak bezocht met een stukje vlees. De meisjes moesten dat dan ‘klaarmaken’.
Bron tekst: In juli 2026 is gesproken met twee dienstmeisjes Annie Schonkeren-Snijders (1944) en Annie Orbon-Hoeben (1939) door Hilde van Dael-Verstegen, Heemkunde Stramproy.
De zussen Tina, Til en Trees Gijsen (‘van Klinge’) werkten alle drie voor de familie Wuisman als dienstmeisje. Trees was 15 toen ze begon. Haar taak was om voor de kinderen te zorgen: dat ze allemaal op tijd ontbeten en netjes gekleed naar school gingen. Daarnaast was er nog een meisje als kok/hulp in de huishouding en een meisje voor was- en strijkwerk. Trees was nauwelijks ouder dan oudste zoon Piet Wuisman, die al naar Weert naar school ging. Op de vraag hoe de rolverdeling was, antwoordt ze dat dit buiten het (jonge) personeel werd gehouden. “Het was nu eenmaal zo, in die tijd, dat de man besliste en het gezin kwam toch vooral op de vrouw neer. Daar dachten we helemaal niet over na en daar werd onze mening ook niet over gevraagd.” Het gezin Wuisman ging zoals het in die tijd gebruikelijk was elke zondag naar de kerk.
Leuk weetje: mevrouw Wuisman reed in een ruime Mercedes, terwijl de heer Wuisman zich met zijn lange lijf in een zwarte VW-Kever wurmde. De keuze voor de Kever was praktisch: dokter Wuisman wilde een auto die hem niet in de steek liet en een Volkswagen was zeer betrouwbaar, ook in de winter. Soms moest hij de Kever een stuk voor de boerderij laten staan en het laatste stuk liep hij dan.
Bron tekst: interview met Trees Gijsen, juni 2026 door Riek Klaessen-Gijsen
Peetoom en Peettante
Dat meneer en mevrouw Wuisman als huisarts zeer gewaardeerd werden blijkt ook uit het volgende.
Lidwina is het 15de kind van het echtpaar Pleunis-van Geleuken. De heer en mevrouw Wuisman hadden ook een groot gezin met 12 kinderen en zo was er een band met de ouders van Lidwina. Toen de 14de telg, broer Harrie Pleunis (1-7-1953) werd geboren, zei vader tegen de heer Wuisman “er zijn geen mensen meer in de familie die peter en meter kunnen worden als er nog een kindje komt (ze zeen op)”. Toen zei de heer Wuisman “dan kun je mijn vrouw en mij als peter en meter benoemen als er nog een kind geboren gaat worden”. Toen dat ging gebeuren werd nog gepolst, maar de heer Wuisman had dit gezegd en hij en zijn vrouw wilden graag dat dit ging gebeuren. Daarom kreeg de dochter de naam Lidwina. Lidwina, de beschermheilige van Schiedam en van de zieken en verplegenden, werd geboren in Schiedam. Voor meer info zie: https://www.canonvannederland.nl/nl/page/169621/sint-liduina.
Meneer Wuisman was geboren in Schiedam en Lidwina was een mooie verwijzing naar de patroonheilige van zijn geboorteplaats.
Lidwina kreeg ieder jaar een mooi cadeau met Sinterklaas van het echtpaar Wuisman, bijvoorbeeld een serviesje of een pop. Maar moeder vertelde later dat enkele mooie cadeaus ook soms met de andere dochters werden gedeeld omdat Lidwina steeds een wel heel mooi cadeau kreeg. Toen Lidwina ging trouwen met Mat Keijers (1975) ging ze samen met haar toekomstige man op bezoek bij de heer en mevrouw Wuisman met, zoals destijds gebruikelijk was, een boekje met daarin de wensen voor de cadeaus. Dat moest van vader, Lidwina vond dat wat ongemakkelijk, want zo veel contact had ze niet met haar peter en meter. De heer Wuisman nam het boekje serieus door en toen er een frietpan bijstond moest hij toch een opmerking plaatsen dat dit geen gezond cadeau is. Lidwina en Mat kregen een klok cadeau van de heer en mevrouw Wuisman. Later is Lidwina met haar broer Jac nog eens op bezoek geweest bij het echtpaar toen ze na hun pensionering in Molenbeersel woonden.
Bron tekst: interview 19 juni 2026 met Lidwina Pleunis (1954) door Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy.
Praktijk in Ell
Naast Stramproy hield het echtpaar Wuisman ook praktijk in Ell.

Lezingen
Meneer Wuisman verzorgde door heel Limburg lezingen over jeugd, verzorgen, beroepskeuze en gezond leven. Maar ook mevrouw Wuisman verzorgde lezingen en was aanwezig op bijeenkomsten van onder andere vrouwenverenigingen en het Groene Kruis.

Apotheek
In eerste instantie waren op de Amentstraat de apotheek en de praktijkruimten gevestigd. Gerard Wuisman herinnert zich dat zijn moeder vooral de apotheek en de administratie ervan verzorgde. Toen hij wat groter was moest hij ook de administratie van de apotheek controleren. Later is de praktijk en de apotheek verhuisd naar de locatie waar deze nog steeds gevestigd is aan de Karel Doormanstraat 8 in Stramproy. De weekenddiensten werden nog wel vanuit het thuisadres aan de Amentstraat 23 gedaan.

Afscheid
In januari 1982 namen mevrouw Wuisman-Wilders en de heer Wuisman afscheid als huisartsen van Stramproy. Wethouder mevrouw Höppener sprak mevrouw Wuisman-Wilders toe en ze werd ereburger van Stramproy.

Mevrouw Höppener bedankte meneer en mevrouw Wuisman Wilders voor hun bijdrage aan de gezondheid van de mensen in Stramproy en omgeving. Ze gaven als huisarts hulp op breed terrein, van geboorte tot overlijden. Ze werkten daarnaast ook voor de naoorlogse jaren TBC-bestrijding, voor Kruisverenigingen, deden schoolartsdiensten en verzorgden spreekbeurten op medisch-hygiënische terrein voor diverse bevolkingsgroepen en scholen in Stramproy en daarbuiten. Ook psychische zorg en psychosomatische zorg kregen aandacht. Apotheek, bloedprikken en diverse andere onderzoeken, ze deden het allemaal. Bewoners in Stramproy, Tungelroy, Ell en Molenbeersel konden dag en nacht een beroep op hen doen en nooit tevergeefs.
Bron tekst wethouder Höppener: gemeente-archief Weert
Burgemeester Van Berckel sprak de volgende tekst:
“Vooral de vrouwelijke bevolking van Stramproy en omgeving is u grote dank verschuldigd, evenals de vele baby’s die in de consultatiebureaus uw medisch-klinische blik moesten doorstaan”.
Bron tekst burgemeester Van Berckel: gemeentearchief Weert

Bijzonder, dat mevrouw Wuisman ereburger werd in Stramproy op 6 januari 1982 en haar man op dezelfde dag koninklijk werd onderscheiden (Ridder van Oranje-Nassau) door burgemeester Van Berckel. Uit dossieronderzoek bij de gemeente Weert (voorjaar 2026) blijkt dat er voor mevrouw Wuisman nooit een koninklijke onderscheiding is aangevraagd.
Uit het al eerder aangehaalde telefonisch interview op 24-6-2026 met Gerard Wuisman (1951) blijkt ook dat hij destijds en nog steeds verbaasd was dat zijn moeder geen koninklijke onderscheiding kreeg en zijn vader wel. Zijn moeder heeft een prestatie van formaat geleverd. Naast dat zij moeder was van 12 kinderen heeft ze 37 jaar gewerkt als huisarts in Stramproy, Molenbeersel, Tungelroy en Ell en was ze arts bij het Consultatiebureau in Stramproy en Nederweert. Ze was ook verbonden aan het Groene Kruis in Ell-Hunsel-Haler. Bovendien deed ze de apotheek en de boekhouding. Voor de plattelandsvrouwen hield ze lezingen over onder andere hygiëne. Samen met haar mam deed ze ook de bevallingen; er was nog geen vroedvrouw in Stramproy. Dus ook in de nachten was ze nog vaak aan het werk.
Een koninklijke onderscheiding zou zeker op z’n plaats zijn geweest. Zou dit niet achteraf nog kunnen, vraagt Gerard Wuisman zich af? Helaas, koninklijke onderscheidingen worden postuum niet toegekend.
Het standbeeld, ter ere van het artsenechtpaar, dat in 1982 werd onthuld zou in eerste instantie alleen de afbeelding van de heer Wuisman bevatten. Mevrouw Höppener heeft er zich toen sterk voor gemaakt dat ook mevrouw Wuisman op het kunstwerk werd afgebeeld.
Mevrouw Höppener heeft na haar afscheid als wethouder in 1982 een comiteetje opgericht (met mevrouw Lies Koolen en mevrouw Nannie van Akkeren) om er voor te zorgen dat voortaan óók voor vrouwen een koninklijke onderscheiding werd aangevraagd. Of het ontbreken van een koninklijke onderscheiding aan mevrouw Wuisman de aanleiding was kunnen we niet achterhalen. Zie voor meer informatie over mevrouw Höppener het paneel ‘Vroulje mét kaêr’ van mevrouw Höppener-Rikken.
Bron krantenartikelen over het echtpaar Wuisman: privéarchief Gerard Wuisman

Kraamzorg, zuster Riek Peskens
Hendrika (Riek) Peskens werd geboren in1919 te Kessel en overleed in 2008 te Stramproy op 88-jarige leeftijd. Na de oorlog deed ze de opleiding tot kraamverzorgende in Heerlen. In 1951 is ze gaan werken in de kraamzorg in Weert en ging wonen op de Molenstraat 43 in Weert. (Bron: Land van Weert 13/7/1951)

Na een jaar ging ze werken voor het Groene Kruis in Stramproy. Destijds was de heer J.M. Stevens voorzitter van het Groene Kruis in Stramproy. Er was in 1952 geen woning beschikbaar en daarom heeft ze een aantal jaren bij zijn familie in huis gewoond. Het was de woning naast de melkfabriek aan de Amentstraat 15. De heer J.M. Stevens was ook directeur van de melkfabriek. Nel Stevens (1926) is de zus van J.M. Stevens en woonde destijds ook bij haar broer in. Nel en Riek Peskens werden vriendinnen. Onderstaand interview verslag geeft meer informatie over Riek Peskens.
Interview met Nel Stevens
Nel kende zuster Peskens – zo werd Riek in Stramproy genoemd – goed. De broer van Nel was in het bestuur van het Groene Kruis. Er kwam een kraamverzorgster en die had nog geen woonadres. Vader heeft toen gezegd “zo lang als ze niets anders heeft, komt ze maar bij ons wonen”. Ze heeft een paar jaar bij de familie Stevens ingewoond. Daarna ging ze bij haar zus, Mien Geraerts-Peskens wonen aan de Pr. Beatrixstraat. De buurvrouw van mevrouw Höppener. Ze verhuisde nog een paar keer. Later ging ze aan de Irenestraat wonen. Iet Schreurs woonde in de buurt. Zuster Peskens is altijd in Stramproy blijven wonen, ook na haar pensioen. Ze werkte samen met de heer en mevrouw Wuisman en ook met zuster Leonie; zij was wijkverpleegster. Daarna was zuster Alice wijkverpleegster. Zuster Peskens hielp ook op het Consultatiebureau. Dat heeft Nel Stevens ook 18 jaren gedaan als vrijwilligster. Mevrouw Wuisman deed de kleuterbureaus, de heer Wuisman deed de zuigelingen.
Nel werkte later ook op de melkfabriek (op kantoor) maar kreeg ‘s-middags vrij om de dokter te gaan helpen op het Consultatiebureau, op de tweede en vierde dinsdag in de maand. De voorzitter van de melkfabriek was destijds de heer Neijnens uit Tungelroy en hij was ook voorzitter van het Groene Kruis. En hij vond het goed dat Nel Stevens ging helpen op het consultatiebureau en dat ze die middagen niet op kantoor zat. Nel Hendriks (dochter van ‘Hoebe Sjang’, van de winkel) werkte als vrijwilliger op het Consultatiebureau in Tungelroy.
Zuster Peskens verzorgde onder andere de inentingen DATP en mazelen met hulp van Nel, niet alleen in Stramproy maar ook in Tungelroy en op het Ambonezenkamp in ‘de Well’. Ze bood kraamzorg in Tungelroy, Stramproy maar ook in Molenbeersel. Ze verplaatste zich met de fiets, later had ze een Volkswagen Kever. Hoeveel bevallingen ze heeft gedaan is niet te zeggen. Nel denkt dat zuster Peskens tot haar pensioen heeft gewerkt (1984). Ze maakte heel veel uren. Als een vrouw angstig was voor de bevalling en ze was er te vroeg dan ging ze breien totdat de bevalling begon. Haar hobby was koken (ze kookte op vakantie). Ze had geen eigen kinderen en is nooit getrouwd geweest. Haar werk was haar grote hobby en roeping.
Grappige anekdote: zuster Peskens en Nel kaartten altijd met Mat en Truus Peeters-Gerris (Amentstraat 19). Zij woonden vlakbij. Zuster Peskens heeft ook de bevallingen gedaan bij Mat en Truus. Nel herinnert zich dat een bevalling op een kaartavond was. Tussen de weeën door werd gewoon door gekaart tot het zover was.
Als er ergens een bevalling was kwamen de mannen zuster Peskens ophalen. Toen bij Truus Peeters de weeën begonnen ging Mat naar Riek Peskens om te waarschuwen. Mat wist het raam van de slaapkamer van Riek Peskens en hij riep haar onder ’t raam. Riek hoorde dat en Mat riep: “ Tis bie os tieëd”. En meteen daarna “1 april”. Riek wist toen niet of het echt waar was want Mat was altijd in voor een grapje en het was inderdaad 1 april. Maar het was waar, want op 1 april werd Frans Peeters geboren!
Later zijn Nel en Riek heel vaak naar Oostenrijk op vakantie gegaan. Nel is op hetzelfde particulier adres in St. Johan 99 keer geweest. In totaal meer dan 100 keer naar Oostenrijk. Nel is er voor het eerst in 1953 (ongeveer) naar toe gegaan. In Oostenrijk maakten ze dagtochtjes met de auto, de bergen in naar Italië en naar Joegoslavië. In de bergen gingen ze wandelen. Nel reed altijd. Nel zegt, ik weet in St. Johan en omgeving beter de weg dan in Limburg.
Samenvatting interview op 26 mei 2026 met de honderdjarige Nel Stevens (geboren 27-2-1926) door Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy

Meer dan alleen bevallingen
In de jaren ‘50 en ‘60 werden in Stramproy heel veel kinderen geboren. Alleen als zuster Peskens op vakantie was kwam er een andere kraamverzorgster naar Stramproy. Zuster Peskens deed de bevalling en verleende zorg voor moeder en kind. Ook hielp ze met de borstvoeding als dat niet meteen lukte. In die tijd kwam tijdens de eerste tien dagen na de bevalling vaak een vrouw uit de buurt in het huishouden van een kraamvrouw helpen. Er waren grote gezinnen en daarvoor moest worden gekookt, de was gedaan en gepoetst. De vaders kregen nog geen kraamverlof. Bij de boerinnen die een kind kregen, moest deze vrouw ook vaak de koeien melken, voor de kalveren zorgen en er moest worden gekookt voor de knechten. Ook dat werk moest worden opgevangen. Als er geen hulp in de buurt of in de familie beschikbaar was regelde zuster Peskens dat. Vaak werd dan Iet (Ida) Schreurs ingeschakeld.
Om aan te geven hoe de verbondenheid van zuster Peskens was met Stramproy is haar gedachtenisprentje toegevoegd.


Gezinszorg, Iet (Ida) Schreurs

Iet Schreurs (Iet van Pleunis (*1927) woonde vanaf eind jaren ’50 net als zuster Peskens op de Irenestraat. Over haar werk bij de kraamvrouwen vertelde Iet in 2013 over de hulp die ze had geboden.
Iet verleende, toen ze in de Hei woonde, al ‘naoberplicht’ als er een kindje geboren werd. Bijvoorbeeld bij ‘Locht Sjang’ en Mieke en bij ‘Waale Lei’ toen zijn vrouw Dora erg ziek werd in het kraambed. Voordat haar broer Géne het bedrijf overnam moest ze thuis op de boerderij werken. Haar vader was jong gestorven en haar broer Pierre leerde voor priester. Moeder kon het werk niet alleen af en er moest ook mannenwerk gedaan worden. Iet heeft daarom alle boerenwerk en ook “alle mansluujwerk” geleerd en gedaan.
Haar jongere broers waren toen nog te jong. Haar tweelingzus Lies is in 1954 geprofest als slotzuster Maria Theresia bij de Birgittinessen in Weert. Daar heeft haar zus veel nuttig werk gedaan. Lies was vanaf 1977 moeder-abdis en kreeg in 2002 een koninklijke onderscheiding.


Na het huwelijk van haar broer Géne met Rien Kunnen ging Iet met haar moeder in een bejaardenhuisje op de Irenestraat wonen. Ze had niet meer veel om handen. Moeder “kos nog good”. Zuster Peskens vroeg haar te komen helpen in gezinnen waar extra hulp nodig was. Bijvoorbeeld als familie of buren niet konden helpen of als er heel veel werk was. Ze deed er alle voorkomende werk “wie ’t zich veurdeej”. Dus ook koeien melken, met de koe naar de stier gaan, “wassen met de henj, oppe schromp”, koken, poetsen en zorgen voor moeder en kind. Ze kwam overal, ook in Ittervoort en Molenbeersel. Te voet of met de fiets. Als ze ver moest bleef ze slapen en in de winter moesten de mensen haar komen halen.
Iet Schreurs heeft niet geleerd voor kraamverzorgster maar heeft wel eens een kindje op de wereld geholpen. “As ’t good geit, heet ’t niks oppe kous”. Maar ze deed normaal meer het werk wat later door de gezinszorg werd gedaan. Alleen deed zij dan ook al het boerenwerk erbij, het werk dat normaal door de vrouw werd gedaan die in het kraambed ‘zat’. Ze had het er jaren heel druk mee, werd hiervoor betaald. Zuster Peskens regelde alles. Later is ze voor haar moeder gaan zorgen. Soms was er overlap en had ze twee adressen. Dan moest ze een beetje schipperen met de tijd en soms moest de kraamvrouw dan een aantal dagen eerder uit bed.
Begin jaren zestig kwam er steeds meer professionele gezinszorg. Meisjes konden naar Heerlen om daar een opleiding te doen om in de gezinszorg te gaan werken. In Stramproy deden dat onder andere de zussen Hoeben (van ‘Sjang de Slechter’).
Bron: samenvatting interview en foto: Hilde van Dael-Versteegen, Heemkunde Stramproy

Annie Orbon-Hoeben (1939) vertelt hierover een mooi verhaal in juli 2026 aan Hilde van Dael-Versteegen (Heemkunde Stramproy).
Annie heeft nog samengewerkt met Iet Schreurs en met zuster Peskens. Annie werkte eerst bij de familie Wuisman als dienstmeisje tot ze 18 jaar werd. Je moest 18 jaar zijn om aan de opleiding in Heerlen te beginnen. Ze ging met de fiets naar Heerlen samen met Annie Schaeken en Leen Mennen. Ze konden in het weekend met de mijnwerkersbus mee, maar dat kostte twee en halve gulden voor een retourticket. En Annie kreeg van thuis voor een week twee en halve gulden. Daarom gingen ze wekelijks met de fiets naar Heerlen en konden ze geld besparen.
In haar tijd stopten de meisjes met werken als ze gingen trouwen. Later is dat veranderd. Je mocht als gezinszorg maar zes weken in één gezin blijven. Dat was vaak moeilijk voor de kinderen die steeds andere meisjes kregen. Toen Annie was getrouwd bleef ze nog werken bij een bakker met tien kinderen waarvan de vrouw gestorven was. Niet meer voor het Groene Kruis; ze kwam in dienst bij de bakker. Ze is gestopt toen haar eerste kind is geboren. Ze vond het werken in de gezinszorg heel dankbaar werk. Met enkele kinderen uit gezinnen heeft ze nog steeds contact.

Kraamzorg, Marlies Luijs-Snijders
Gesprek in juni 2026 met Marlies Luijs-Snijders (1952), kraamverzorgster. Onderwerpen: haar eigen werk en opleiding en over mevrouw Wuisman en zuster Peskens en de ontwikkelingen in de kraamzorg.
Marlies is het jongste meisje uit het grote gezin Snijders (‘Pietjes’). Marlies ging thuis meehelpen nadat ze van de Huishoudschool kwam in Stramproy. Dat was heel gebruikelijk, een oudere zus mocht dan uit gaan werken. Tot haar 18de heeft ze dit gedaan. In die periode heeft ze ook een naaiopleiding gedaan, gepoetst en op kinderen gepast. Marlies wilde dit niet haar hele leven blijven doen en heeft toen informatie opgevraagd over de opleiding tot kraamverzorgster bij het Groene Kruis. Het hoofd van de kraamzorg van het Limburgse Groene Kruis (hoofdvestiging in Sittard, later dependance in Weert) kwam toen thuis voor een gesprek maar keek ook overal rond in huis en trok enkele kasten open en opende de pannen die op het fornuis stonden. De ‘beoordeling’ was, denkt Marlies, wel oké en Marlies mocht een theorieopleiding gaan doen in St. Odiliënberg. Na drie maanden intern ging ze een jaar praktijkervaring opdoen met speciale handelingen die dan werden afgetekend als het in orde was. En als je alle handelingen goed had afgerond kreeg je een diploma en een speldje.
Lies Jacobs, Mien Jacobs (van de melkboor) deden ook de opleiding. Dora Vaessen-Teuwen was ook kraamverzorgster.
Marlies heeft ook gewerkt in de periode dat zuster Peskens nog werkte.
Marlies heeft gewerkt met de heer Wuisman sr. en mevrouw Wuisman. Ze herinnert zich dat hun zoon Ot Wuisman in Stramproy kwam werken. De eerste keer dat ze met dokter Ot een bevalling deed, was dit bij haar zus Mien. Dokter Ot zei: “je hebt veel te vroeg gebeld, je moet pas bellen als je het hoofdje ziet”, waarop Marlies gevat reageerde en zei “jullie zijn verwend door zuster Peskens; die bleef met haar breiwerk bij de kraamvrouw naast het bed zitten”.
In de tijd van zuster Peskens was tien dagen bedrust voor de kraamvrouw heel normaal. In de jaren ‘70 kwam daarin verandering. Maar in de begintijd kwam Marlies als kraamverzorgster wel 76-80 uren (tien dagen) in het gezin. Na een aantal dagen volledige bedrust (“wie ein plank in bed ligge”) mochten de kraamvrouwen “bitje bungele”. Met de benen naast het bed op en neer bewegen maar nog niet belasten. Langzaam is dat verschoven. De vrouwen werden wat moderner en wilden ook niet meer steeds in bed liggen. Ze konden ook in een stoel zitten en vroegen ook “waarom moet ik in bed blijven liggen als ik mij goed voel”. De laatste paar dagen mochten de vrouwen opstaan en leerden ze van de kraamverzorgster hoe het kindje in bad moest, verschonen, enzovoort.
De kraamverzorgster gaf ook adviezen over de borstvoeding. Begin jaren ‘70 gingen de mannen werken maar ook dat verschoof. De zorg ging toen van tien naar acht dagen. Mannen kregen toen maar twee dagen kraamverlof; sommige mannen namen aansluitend vakantiedagen op. En de kraamverzorgster leerde ook de mannen hoe ze de baby moesten verschonen, wassen, enz. Na een week waren de mannen dan vaak handiger dan de vrouw en konden ze het weer aan hun vrouw leren. De eerste dagen lag de vrouw immers in bed.
Het advies van de heer en mevrouw Wuisman was: zorgen voor een goed kraambed. Als je goed uitgerust uit het kraambed komt heb er daarna zeker voordeel van. Borstvoeding vroeg – nog steeds – ook veel energie en je moest een baarmoederverzakking of uitputting voorkomen.
Marlies is gestopt met werken in 1978 toen ze zelf kinderen kreeg. Maar langzaam begon het weer te kriebelen. Zo nu en dan hielp ze bij een nichtje. Marlies vroeg wel aan Ot Wuisman, mag ik dat wel doen. “Zeker”, zei Ot, ”jij bent gediplomeerd en ik ben de eindverantwoorde-lijke”. Zo is Marlies langzaam weer begonnen en daarna heeft ze nog elf jaar bij het particulier bureau Mediplan gewerkt en weer twaalf jaar terug naar het Groene Kruis tot 2017; Marlies was toen 62 ½ jaar.
Naast de zorg voor moeder en kind zorgde je ook voor het gezin. Later ging een kraam-verzorgster ‘s ochtends naar twee gezinnen en ’s middags ook nog naar twee andere gezinnen. Dat noemt men tegenwoordig ‘wijkzorg’. Alleen zorg voor moeder en kind.
Marlies werkte veel in Stramproy maar had een groot werkgebied van Sittard tot Noord- Limburg. Ze heeft alle wegen van Midden-Limburg leren kennen. Met een stratenboek en een uitleg aan de telefoon kwam ze overal.
Er waren in Stramproy nog geen vroedvrouwen werkzaam. Met bevallingen waren de heer en mevrouw Wuisman erg geroutineerd. Dat deden ze naast hun drukke praktijk. Het was een fijne samenwerking. Ze verwachtten ook van de kraamzorg dat de arts tijdig gebeld werd.
Als je het hoofdje al zag was dat meestal te laat. Er was geen verschil qua werken tussen de heer Wuisman en mevrouw Wuisman. Mevrouw Wuisman werkte ook ’s nachts. Ze kende alle families bij naam en bijnaam, net als zuster Peskens. Mevrouw Wuisman was heel resoluut in haar werk. Zuster Peskens was een autoriteit voor ‘n jong meisje, pas klaar met de opleiding. Ze boezemde ontzag in, doch was een heel aardige vrouw. Het is niet te zeggen hoeveel bevallingen ze heeft gedaan: veel. Marlies heeft zuster Peskens leren kennen als kind toen haar zus To is bevallen van Annie en Marja. De verhalen die ze vertelde vond ze destijds heel interessant.
Marlies is erg blij dat ze als 18-jarige toch een opleiding is gaan volgen. Het werk in de kraamzorg heeft haar leven zeker verrijkt. Ze heeft bij heel veel mensen gewerkt, diverse culturen, in de stad en op het platteland, soms heel emotioneel en vaak ook heel mooi. Marlies ontving veel lieve bedankjes die ze bewaard heeft in een plakboek.

De zoon van Marlies woont in Denemarken en heeft een Zweedse vrouw. Daarom is Marlies bekend met het Scandinavisch systeem van kraamzorg. Marlies denkt dat dit systeem langzaam maar zeker ook voor Nederland zal gaan gelden. Daar werken ze met een kraamhotel waar moeder en kind een aantal dagen verblijven tijdens en na de bevalling. Kraamzorg blijft altijd in ontwikkeling. De moeder krijgt een jaar vrij van haar werk en ook de vader heeft meer verlof in de beginjaren.
Wijkverpleging
Na het goede werk van de zusters uit het klooster in Stramproy (zie het venster ‘Zusters van Stramproy’) werd de wijkverpleging steeds meer overgenomen door jonge vrouwen die verpleging en verzorging kozen als beroep. Dit liep net als de kraamzorg en gezinszorg, in Stramproy opgericht in 1965, in beginsel via het Groene Kruis.

Wijkverpleging, Francien Janssen-Scheenen
Francien werkte van 1969 tot 1975 in de wijkverpleging in Stramproy. Eerst met de fiets en later met de auto. Francien had onvoldoende vooropleiding om de opleiding verpleegkundige te volgen. Ze werkte eerst in het ziekenhuis in Weert in de keuken en schoonmaak. Maar ze wilde verder en deed een pittige schriftelijke cursus voordat ze met de interne opleiding in Sittard startte. Haar ouders vonden het goed dat ze een opleiding deed omdat ze het werken in de zorg belangrijk vonden.

Een collega in de wijkzorg was Lia van de Wiel. Destijds zaten in het bestuur van het Groene Kruis onder andere de heer Franken en mevrouw Höppener uit Stramproy. Het Groene Kruis van Weert en Stramproy werkten samen.
Francien kreeg haar opleiding in het ziekenhuis van Sittard en werkte ook in het ziekenhuis in Weert. Omdat ze ging trouwen trok ze naar Stramproy en wilde daarom in de wijk gaan werken. Ze heeft gewerkt totdat haar oudste dochter is geboren in 1975. Toen de kinderen naar school gingen pakte ze haar beroep weer op, als particulier verpleegkundige.
Mevrouw Peskens werkte ook nog bij het Groene Kruis begin jaren ‘70. Ze waren dus collega’s. Zuster Peskens werkte in de kraamzorg. Net als destijds Marlies Luijs-Snijders en Tilly Peeters.
Bron tekst: interview juni 2026 met Francien Janssen-Scheenen (1946)

Linda Mans (1973)

Impact op een ander level
Behalve vrouwen die direct resultaten boeken voor mensen in Stramproy zijn er ook vrouwen die op een ander level impact maken en een voorbeeldfunctie vervullen.
Linda Mans doet dat in organisaties die zich bezighouden met vrouwenrechten en gezondheid.
Stappen naar een breed maatschappelijk bewustzijn
Linda groeide op aan de Europastraat in Stramproy. Ze leerde vroeg hoe belangrijk het is om ruimte te zoeken binnen maatschappelijke normen. Gesprekken met Gerry Kwaspen over persoonlijke vrijheid en genderrollen vormden een zaadje dat later uitgroeide tot haar keuze voor Genderstudies, destijds een gedurfde en vernieuwende richting.
Lang leve de voetbalclub in Stramproy, waar al vroeg voetballende meisjes en vrouwen een plek kregen en die gesprekken konden plaatsvinden.
Die vroege bewustwording werd de basis voor haar latere werk, altijd gericht op gezondheid, gender en rechtvaardigheid. Ze vond haar weg naar universiteiten, onderzoeksinstituten en wereldwijde netwerken, en werd een stem die ertoe doet.
Innerlijke kracht als basis voor ontwikkeling
Linda beschikte van jongs af aan over een sterke drang om te begrijpen hoe systemen werken, in de samenleving, in de gezondheidszorg, in de politiek. Ze was nieuwsgierig, sportief, leergierig en gevoelig voor ongelijkheid. Hoewel werk een belangrijk onderdeel vormde, spendeerde Linda ook tijd aan buitenspelen op de fiets, wandelend in de bergen of met hardloopschoenen aan, haar manier om ruimte te maken voor reflectie.
Onderwijs als poort naar bewustwording
Na haar middelbareschooltijd vertrok Linda naar de Universiteit Maastricht. Daar behaalde ze in 1997 haar Master of Science Health Education & Health Promotion én Genderstudies. Die combinatie, gezondheid en gender, werd de rode draad in haar carrière. Vanuit Maastricht maakte Linda de sprong naar de grote stad Amsterdam. Maatschappelijke relevantie bleek een rode draad in het werkzame leven van Linda.
De groei naar maatschappelijke relevantie en impact
Linda zette haar inzichten om in daden. Ze schreef voor LOVER (tijdschrift over feminisme, cultuur en wetenschap), werkte aan betere communicatie tussen behandelaar en patiënt in de psychiatrie, en onderzocht gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen aan de Radboud Universiteit. Ze integreerde genderperspectieven in geneeskundeonderwijs, een vernieuwende stap in de jaren negentig. Op verzoek van de rijksoverheid onderzocht ze de acceptatie van homoseksualiteit in Nederland.
Vanaf 2006 werkte ze bij het VU-Medisch centrum waar ze onder andere leergangen ontwikkelde over bepalende beïnvloedingsfactoren op het gebied van seksualiteit en gezondheid, migratie en gezondheid (focus op HIV / aidspreventie). Tegelijkertijd was ze bezig met video-workshops voor gemeenschappen om op die manier participatie op het gebied van gender, seksualiteit en culturele diversiteit te bevorderen. Vanaf 2008 werd ze eigenaar van Manskracht.nl en tussendoor werkte ze nog bij de Stichting Wemos en was haar titel ‘Senior Global Health Advocate’. In die hoedanigheid beïnvloedde ze de Nederlandse en internationale politiek om wereldwijde gezondheid te bevorderen.
Internationale vrouwenrechten – de CEDAW‑verbinding
In april 2026 verscheen een foto van Linda Mans op de internationale vrouwenconventie in Genève. Daar leverde zij een bijdrage aan het rapport voor het CEDAW‑Comité (VN‑Vrouwenverdrag; voluit: Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen). Het Comité beoordeelt elke vier jaar hoe landen discriminatie tegen vrouwen bestrijden. Het Comité doet vervolgens aanbevelingen aan regeringen, ook die van Nederland, om hun land discriminatievrij te maken en spreekt de regering daar actief op aan. Linda en haar werkgroep leverden hiervoor kritische en onmisbare informatie aan het Comité. Dit is essentieel omdat regeringen vaak een te rooskleurig beeld schetsen van hun eigen inspanningen. Ngo’s, zoals die waar Linda deel van uitmaakt, zorgen juist voor realistische, eerlijke en constructieve feedback. (Ngo’s, niet-gouvernementele organisaties, zijn organisaties die niet onderdeel zijn van de overheid, maar wel een maatschappelijke taak vervullen.) Linda probeert met die informatie en feedback een bijdrage te leveren aan een gezondere en rechtvaardigere wereld. Al eerder, in 2010, werkte Linda aan zo’n rapport. Het toont haar blijvende betrokkenheid bij vrouwenrechten en internationale rechtvaardigheid.
Gezondheid, rechtvaardigheid en een gezonde planeet
Linda’s werk gaat niet alleen over vrouwenrechten, maar ook over een gezonde wereld. In haar jeugd inspireerden Rozemarij Aendenroomer en Lei Heijkers haar om aandacht te hebben voor de bescherming van de aarde. Een belangrijk strijdpunt daarin nu is gericht op het verbod op het gebruik en het lozen van PFAS, chemische stoffen die op grote schaal worden toegepast in allerlei producten zoals voedselverpakkingen, impregneermiddelen en smartphones, maar ook in veel pesticiden. Voor Linda is gezondheid altijd breder geweest dan het lichaam: het gaat over systemen, rechtvaardigheid, leefomgeving en toekomst.
Erkenning en oproep voor de toekomst
Linda’s werk is een voorbeeld voor jongeren die hun weg zoeken in een complexe wereld. Ze benadrukt dat niemand alleen staat: zij kon groeien omdat ze “op schouders kon staan”, dat er mensen waren die haar inspireerden, kansen gaven en haar lieten zien dat je verder kunt kijken dan je dorp. Ze hoopt dat jongeren dezelfde kansen krijgen om met hulp of via een voorbeeldrol betekenisvolle keuzes kunnen maken en een stapje extra kunnen doen. Er blijven mensen nodig die impact maken (. . . en die houden van buitenspelen).
Kernboodschap van Linda


De conclusies d.d. 24-02-2026 van het VN-Comité inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen ten aanzien van Nederland zijn een duidelijke opdracht aan het nieuwe kabinet: De bevordering van gendergelijkheid op alle terreinen behoeft dringend meer actie. Het kabinet moet, onder meer, schadelijke stereotypen aanpakken, zorgen dat vaders meer zorgtaken op zich nemen, meer doen om geweld tegen vrouwen aan te pakken en discriminatie op de arbeidsmarkt uit te bannen.

Respect voor het lichaam van de vrouw
De manier waarop we spreken over het vrouwelijk lichaam zegt iets over de positie van vrouwen in onze samenleving en over de weg die zij hebben afgelegd om gezien en gehoord te worden. Generaties lang waren onderwerpen als menstruatie, zwangerschap, seksualiteit en de overgang omgeven door schaamte of stilzwijgen.
Toch waren er altijd vrouwen die dat patroon doorbraken en het verschil maakten: in de zorg, in het onderwijs, in gesprekken met meisjes en moeders, tussen moeders en hun dochters in de dagelijkse praktijk van het leven.
In Stramproy gebeurde dat vaak stilletjes, maar met groot effect. Vrouwen die als verpleegster, vroedvrouw, onderwijzeres of moeder open spraken over gezondheid en lichaam, maakten het verschil. Zij leerden anderen dat zorg begint met kennis en respect, niet met schaamte. Door hun houding konden vrouwen elkaar steunen omdat lichamelijke onderwerpen, eindelijk, bespreekbaar werden.
“Als we willen dat meiden en vrouwen vol vertrouwen opgroeien, begint dat ook met de manier waarop we over het vrouwelijk lichaam spreken. Zonder schaamte, met kennis en met respect.”
Toen De Dikke van Dale in 2026 het woord vulvalippen toevoegde, leek dat een kleine stap, maar het was een symbolische erkenning van die lange weg: van zwijgen naar spreken, van schaamte naar respect.
Emancipatie gaat niet alleen over gelijke rechten of economische zelfstandigheid.
Het gaat ook over gezien en serieus genomen worden, over ruimte om zonder schaamte te praten over je lichaam, je gezondheid en je leven. Misschien lijkt een nieuw woord in een woordenboek maar een detail, maar maatschappelijke veranderingen beginnen vaak klein. En juist al die kleine stappen samen, brengen ons verder.


