Klik voor meer info
- Achtergrond acht eeuwen bestuur door vrouwen in Stramproy
- Stille diplomatie
- Milder bestuur
- Zorg voor armen, hongersnood, zieken
- Oprichting schutterijen Stramproy
- Vergunning voor de broekmolen
- Marktrechten in Stramproy
- Lakenambacht en Stramproyer spinsters
- Klok en kerktoren Stramproy
Achtergrond van acht eeuwen bestuur door vrouwen in Stramproy (975 – 1794)

Paltsgravin Francisca van Pfalz-Sulzbach, Abdis van Thorn (1717 – 1776)
Onder haar bestuur nam de welvaart in het land van Thorn toe. Ze kwam op voor sociaal zwakkeren en armen. Ze was van vorstelijke afkomst maar bleef toch een eenvoudige vrouw. Ze schonk geld en goederen aan madatsarmen. Dat waren armen die gesteund werden door het Kapittel van Thorn. Van haar legaat werd een weeshuis gesticht in Essen. (bron: J. Forschelen 4-5-2026).
Er waren in acht eeuwen tijd in totaal 33 abdissen van Thorn. Het waren hoog adellijke vrouwen en ze hadden zeker niet allemaal oog voor alle inwoners van het Land van Thorn. Maar een aantal had dit zeker wel en ze maakten het verschil, ook voor de inwoners van Stramproy. Zie verder de volledige lijst van abdissen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_abdissen_Stift_Thorn.
Land van Thorn
Stramproy was een onderdeel van het land van Thorn en had acht eeuwen (975 – 1794) een bestuur door vrouwen.Onderdeel van het land van Thorn in de 18de eeuw waren Stramproy, Grathem, Baexem, Ell, Haler en Molenbeersel. Reeds onder Prins-bisschop Notger (930 – 1008) werd de territoriale omschrijving vastgelegd, die op het kaartje te zien is.

Tot het vorstendom zelf behoorden de dorpen Thorn, Ittervoort, Grathem, Beersel (Molenbeersel, nu in België), Baexem, Stramproy, Ell en Haler. Het beheerde ook het verder afgelegen Zuid-Limburgse Waubach. Het had ook het gezag over Neeroeteren in een tweeherigheid met de Prins-bisschop van Luik. Daarnaast had Thorn nogal wat pachthoeven in de omgeving van Breda, met name in Sprundel, Baarle, Meerle, Meer, Bavel, Ginneken, Etten, Leur, Breda, Oosterhout, Alphen, Gilze, De Haghe (=Princenhage), Wouw, Geertruidenberg en Drimmelen.
Binnen het Rijk behoorde de abdis niet tot de vorsten maar tot de prelaten. De abdis bezat echter alle rechten van een vorst in het Duitse Rijk. Zij bezat wel de Hoge Heerlijkheid of bloedban, wat inhield dat zij ook de doodstraf kon laten opleggen en uitvoeren. De abdis bezat ook diplomatieke voorrechten, zoals het versturen van brieven en pakketten die, door haar gezegeld, niet door derden mochten worden geopend.
De abdis had zitting in de Rijksdag. Als landsvrouwe deelde zij de soevereiniteit met het Hoogadellijk Kapittel als grondheer. Er was ook een tweeledige statenvergadering, bestaande uit de leenmannen of de eigenaars van de heerlijkheden en de burgemeesters als vertegenwoordigers van het gemene land.
Minder oorlog, door netwerk en diplomatie
Omdat de stiftdames van Thorn van hoge adel waren met een groot netwerk in vele hoven in onder andere Duitsland, waren andere mannelijke machthebbers heel voorzichtig en lieten ze de macht bij het Kapittel en vielen ze Thorn niet aan.
Dus eigenlijk een soort vrijwaring voor een militaire aanval door een geweldig (familie)netwerk en (stille) diplomatie door vrouwen. De kracht van het bestuur door de abdissen kunnen we beschrijven als ‘softpower’. In een gewelddadige wereld, gedomineerd door mannen konden ze via hun zalvend optreden, diplomatie en hun netwerk zorgen voor een meer vreedzaam bestaan voor de inwoners van het kleine vorstendom Land van Thorn.
Om in de middeleeuwen in het Thornse hoogadelijke stift als kanunnikes te worden toegelaten moesten de dames bewijzen over acht adellijke kwartieren te beschikken. Met de toename van het aantal kandidaten werd in de zestiende eeuw de drempel tot 16 adellijke kwartieren verhoogd.
(Bron tekst : Bladzijde 23, Thorn het witte stadje, vrouw en macht, ISBN 9789464023701)
Problemen met de heren van Horne
De voogdij over een abdij hield in dat wereldlijke machthebbers de bescherming op zich namen van zo’n religieuze instelling. Het tegendeel gebeurde toen voogd Gerard I, heer van Horne, in de loop van het jaar 1314 in het land van Thorn geweld pleegde op personen en zich geld en gronden van de abdij van Thorn toe eigende. In die periode eigende deze Gerard, die geweld niet schuwde, zich ook gemeentegronden toe. Kortom: in plaats van het Land van Thorn te beschermen, vormde deze ‘heer’ een bedreiging voor de bewoners van de abdij en de bevolking in het Land.
Er volgde jarenlange twisten tussen deze partijen waarna door de abdissen de hulp van het hogere kerkelijk gezag werd ingeroepen. Diverse maatregelen, zoals de kerkelijke ban in een steeds groter gebied en de inschakeling van Paus Johannes XXII (!), leidden er uiteindelijk toe dat Gerard na zes jaar vluchtte en het hoofd boog. Op 30 juli 1320 werd door de beide partijen op het kerkhof van Elen de vrede gesloten. Gerard beloofde dan alle nodige compensatie te bieden wegens moord en verminking en alle onwettig geïnde gelden aan de bewoners van het Land van Thorn terug te betalen en de gronden die hij onrechtmatig had verworven aan de rechthebbenden terug te geven. Op 5 augustus 1320 keurde Adolf van der Mark, bisschop van Luik, het vredesverdrag goed.
Het land van Thorn bleef verschoond van de oorlogen die het oostelijk deel van de Zuidelijke Nederlanden bijna zonder ophouden teisterden van 1478 (het begin van de Gelderse oorlogen) tot 1713 (Vrede van Utrecht).
(Bron tekst: Waarvan Akte, Museum Thorn, 2023, Jac. Forschelen, Frans Tonaer, hoofdstuk 5 bladzijde 7 en bladzijde 28, Thorn het witte stadje, vrouw en macht, ISBN 9789464023701)
Milder bestuur
In de zeventiende eeuw werd een ter dood veroordeelde van de galg gered door een huwelijk. Dit was een oud middeleeuws gebruik volgens de rechters. Toen de abdis werd geraadpleegd bleek dat dit nog steeds van toepassing was en werd het huwelijk meteen ingezegend en de doodstraf niet uitgevoerd. Het idee hierachter was dat een sterke vrouw een man op het rechte pad kon brengen.

De abdis van Thorn had binnen de immuniteit de bevoegdheid veroordeelden, ontheemden en verschoppelingen asylum (asiel) te verlenen. Toen midden zestiende eeuw de Joden werden verdreven uit Roermond en Venlo, de laatste steden in het Maasdal waar ze nog mochten wonen, ving de abdis een Joods gezin op. Dit kon binnen de muur met zeven poorten in Thorn, waar de rechtsmacht alleen voorbehouden was aan de abdis. (Bron tekst en foto: Voorpagina en Bladzijde 31-32-33, Thorn het witte stadje, vrouw en macht) Thorn het Witte stadje is nog te bestellen via deze link.
Lagere “belasting”
In Thorn werd geen belasting geheven stelde het Franse bestuur in 1796 verbaasd vast. Uit bescheiden heffingen werden de kosten van de stads- en dorpsbesturen betaald. Het was maar één procent van wat de bewoners van Opper Gelre jaarlijks kwijt waren en het tiende deel van wat de inwoners van het Land van Loon betaalden.
(Bron tekst: Bladzijde 29 Thorn het witte stadje, vrouw en macht, ISBN 9789464023701)
Zorg voor armen en zieken, hongersnood
Het sociale beeld van de kloostergemeenschap blijkt onder andere door de informatie in een oorkonde uit 1287. Hierin wordt melding gemaakt van twaalf begijnen. Het gaat dan om alleenstaande vrome lekenvrouwen, die een in religieus en in maatschappelijk opzicht dienstbaar leven leidden, afgewend van, maar niet buiten de wereld. In de oorkonde van 1287 worden de taken van de begijnen beschreven. Zij waren veelal charitatief van aard. Bij ziekte van een van de kanunnikessen moest één van de begijnen zorgdragen voor de verpleging.
Bekend is dat bij hongersnood, bijvoorbeeld in Neeroeteren, het kapittel heeft gezorgd voor herverdeling van de gelden. Bij boetes die in het land van Thorn werden opgelegd, ging meestal een gedeelte van de boete of de in beslag genomen producten (bijvoorbeeld lakens) naar de armen.
(Bron tekst: Waarvan Akte, Museum Thorn, 2023, Jac. Forschelen, Frans Tonaer, hoofdstuk 3 bladzijde 5)
Oprichten schutterijen Stramproy ter bescherming van de burgers
Aan het hoofd van de Abdij Thorn stond van 1472 tot 1486 de Abdis Gertrudis van Sombreffe tot Reckheim. Zij had speciale belangstelling voor het kwartier Stramproede (Stramproy) en kwam er vaak. Ongetwijfeld had ze kennisgenomen van de onderlinge hulp aldaar en zij heeft deze van veel nut geacht. Deze waardering heeft zij tot uitdrukking willen brengen en daarom droeg zij officieel deze groep mensen op om hun medeburgers te beschutten en te beschermen. De eerste schutterij in het Vorstendom Thorn was gesticht.
(Bron tekst : https://www.antoniusstramproy.nl/st-antonius-stramproy/geschiedenis/)
Haar opvolgster Eva van Isenburg (abdis van 1486 – 1531) schonk aan schutterij St. Antonius de oudste koningsplaat of althans een zilveren schildje dat nu aan het koningszilver is toegevoegd, waarop haar wapen is gegraveerd.
‘Vergunningen’ voor de Volmolen (later Broekmolen) en economische bedrijvigheid in Stramproy

Door de ‘vergunningen’ voor de volmolen, het geven van marktrechten aan Stramproy en het opstellen van regels voor het wol- en lakenambacht zorgden de abdissen voor economische bedrijvigheid in Stramproy. Al in 1476 gaf Abdis Gertrude de Sombreff samen met het kapittel van Thorn aan Jaco Klaes de toestemming voor het oprichten van een volmolen in Stramproy. Vanaf 1618 kreeg het lakenambacht zelf de volmolen in erfpacht en schonk de abdis het recht om de molen op te bouwen in een erfelijk leen.
Regels voor wollenlakenambacht en spinsters in Stramproy
In 1609 kwamen er nieuwe regels voor het lakenambacht:
- 1. Wol moet in Stramproy gesponnen worden.
Per wever zijn er ongeveer 10 spinsters nodig. Er zullen in Stramproy tientallen spinsters zijn geweest. Huisvrouwen en inwonende ouders en kinderen die dit werk dagelijks hebben gedaan. Het was erg moeilijk om op de arme zandgronden een inkomen te genereren en dit was bekend bij de abdis van het land van Thorn. Door zeer slechte inkomsten uit de landbouw hadden de inwoners van Stramproy andere inkomsten nodig. De lakenhandel en het spinnen werden van grote economische betekenis voor het zeer armlastige Stramproy. Hoeveel mannelijke leiders uit de tijd van de abdissen zouden oog hebben gehad voor de maatschappelijke omstandigheden van een dorp?
(Bron tekst: 600 jaren laken- en wolnijverheid Stramproy, H. Sevens, 15-12-2022)

Foto: Houben Marie Gertrudis (Tru, Biej Baele)
Bron: Heemkunde Stramproy
- 2. Er golden regels voor de afmetingen van de lakens; bij afwijkende maten werden boetes opgelegd en werd het laken aan de armen geschonken.
- 3. De lakens mogen alleen in Stramproy opgespannen worden, niet in Tungelroy!
- 4. Handelaren en wevers betaalden een soort omzetbelasting per laken aan de abdis. Als dit niet gebeurde kregen ze een boete waarvan 1/3 naar de abdis, 1/3 naar het lakenambacht en 1/3 naar de armen ging.
Marktrechten in Stramproy
In 1611 verleenden de abdis en het kapittel vergunning voor marktdagen in Stramproy om de handel in Stramproyer laken te stimuleren, waarvan de hele dorpsgemeenschap profiteerde. De markt stond onder bescherming van Thorn, wat werd gesymboliseerd door het plaatsen van een marktkruis als teken van marktvrede.
Verder is door de abdis de regel opgesteld, dat alleen het laken van Stramproy buiten de grens van het land van Thorn mag worden verhandeld. In 1699 ging de molen door brand verloren. In maart 1710 kwam er een aanvraag voor een slag- en volmolen op de plaats van de volmolen bij de abdis Anna Juliana von Manderscheid-Blankenheim binnen.
De molen is weer in onderleen van het lakenambacht.
Vanaf de 19 de eeuw zien we een grote achteruitgang van het aantal schapen en verdwijnt de lakenhandel definitief uit Stramproy. Er is wel vlasteelt maar dit was meer voor eigen gebruik en had geen economische betekenis meer. Tegenwoordig herinneren alleen de straatnamen Spinstraat, Vlasakker en Weverstraat aan deze Roojer geschiedenis. Maar eeuwenlang was het weven van laken de enige grootschalige bedrijvigheid die Stramproy kende. Een organisatie van thuiswevers en thuisspinsters produceerde in Stramproy een kwaliteitslaken voor de handel. Ook waren er veel kleermakers werkzaam in Stramproy. Herders en duizenden schapen bepaalden het heidelandschap in onze omgeving. Bijna de hele Roojer gemeenschap was op de een of andere manier betrokken bij het wol- en lakenambacht.
(Bron tekst: 600 jaren laken- en wolnijverheid Stramproy, H. Sevens, 15-12-2022)
Klok en kerktoren door abdissen bekostigd en onderhouden
De abdis bekostigde de klok en de kerktoren van Stramproy en het onderhoud. De kerktoren was vaak het enige stenen gebouw en hier werden de archieven van het dorp en de wapenvoorraad van de schutterijen bewaard. (Bron tekst: de transcripties van J. Habets, A. Flament, 1889, Frans Verhaag, J. Forschelen)

Kernboodschap ten aanzien van de Abdissen

Nabeschouwing
De abdissen bestuurden in een tijd waarin vrouwen nauwelijks een stem hadden, maar zij gebruikten hun positie om rechtvaardigheid, rust en kansen te creëren voor de mensen in het Land van Thorn.
In de canon voor Roojer vrouwen zien we opnieuw vrouwen die met vasthoudendheid, creativiteit en betrokkenheid hun omgeving hebben beïnvloed en veranderd.
Hun verhalen laten zien dat vrouwelijke invloed door de eeuwen heen steeds weer nieuwe vormen vindt, maar dezelfde kracht behoudt.

